Marcel Rözer over zijn deelname

Schrijver en journalist Marcel Rözer woont in Nijmegen en schrijft over zijn ervaringen met Ik Pas.
6 maart 

Reflex 

Alle ingrediënten waren aanwezig voor een eerste echte test; mijn goede vriend F., de hottub – waarover ooit meer info – en twee goede sigaren. In de eigen achtertuin was het deze avond nog rustig, stil eigenlijk meer. Met 6 graden en hier en daar een miezerbuitje zit nog niemand buiten. Maar wij wel. Gesprekken over het leven, geen onrust van mobiele telefoons of mensen die in en uit lopen, maar gewoon, een vraag, een paar antwoorden, gedachten uitwisselen, veel stiltes en intussen het warme bad en de sigaren.

Tja, wat mist er dan hè? Op de badrand stond een fles rode Peitz – van de al eerder geroemde en genoemde vriend Hermann Heinrich. Vriend F. nipte in de schemering van de tuinverlichting regelmatig van het heerlijke vocht. Bij uw dienaar stond een fles water. En tja, het ging eigenlijk best goed.

Maar naast dat water stond ook nog iets anders, Schotse whiskey, malt whiskey. Voor de leken, dat is geen troep. De fles stond er voor de zekerheid, want eerder die dag was er slecht nieuws. Over een lieve en goede vriend. En er was een reflex; roken en drinken! Waarom? Om het leven te voelen, of juist niet… Om het leven te vieren, of juist niet… Geen idee.

Toen om 1.53 uur vriend F. het pand verliet, ruimde uw dienaar de troep op. De fles whiskey is dicht gebleven. De reflex werd gepareerd, maar lastig was het wel.




27 februari 2017 

Stilleven

Het moet de zomer van 1994 zijn geweest. Er was voetbal. De eerste midzomernachten met mijn nieuwe liefde. In haar studentenhuis woonden ze met zeven, waarvan drie mannen. Jongens, eigenlijk meer. Ze waren alle zeven afgestudeerd en het leven klopte regelmatig op de voordeur, in de vorm van de Sociale Dienst, afgewezen sollicitaties en berichten van de Studiefinanciering. Er was een ander leven op komst.

Maar die zomer dan toch nog even niet. Het was elke avond feest en het was ook alsof er een soort geheime initiatierite plaats moest vinden. Aangezien ik wat ouder was, herkende ik het patroon. Ergens voel je dat er een einde is gekomen aan een bijzondere tijd, aan tomeloze energie ook. Een nachtje doorhalen zou nog heel lang kunnen, maar toch niet zo onbezorgd en naïef als in de allerlaatste studieloze studiemaanden. En dus moest er gedronken worden. In monumentale hoeveelheden. Het liefst tot voorbij het krieken van de ochtend.

De langste dag zat er op, net als de eerste ronde van het WK. Juli was begonnen en ergens toen het nog donker was, waren mijn meisje en ik afgehaakt. De uitgelopen barbecue was naadloos overgegaan in een bordspel. En dat was weer overgegaan in gesprekken over helemaal niets. Dat is nu eenmaal een hobby van de nuttelozen van de nacht. De jongens bleven nog even zitten.

Enfin, de zomerzon prikte door de dunne gordijnen toen ik wakker werd. Het was 10.00 uur, zag ik op mijn horloge. Mijn vriendin was beneden in de keuken broodjes aan het bakken en opeens hoorde ik haar de trap op rennen. ‘Je moet nu komen kijken.’ Nieuwsgierig daalde ik de trap af, door een rommelige maar niet eens heel erg vieze keuken naar de tuin. Daar lag iemand met zijn hoofd op het gammele gietijzeren tuintafeltje. Twee niet gerookte sigaretten in de buurt van zijn mond. Hij snurkte zacht. Toen zag ik de vinger van mijn vriendin, die naar een paar struiken wees. Daar lagen twee omgevallen stoelen, Hartmann stoelen. En in die stoelen lagen de jongens, slapend, op hun rug, met de benen in een stand dat, wanneer iemand ze overeind had gezet, ze onmiddellijk de juiste houding hadden gehad. Het was het grappigste stilleven dat ik ooit zag.


22 februari

Aftellen

Omdat het een zondag was en de dag druilerig verliep stelde ik voor om ‘nog iets te gaan doen’. Dit om de landerigheid van een lege zevende dag voor te zijn. Teun (17) en Koosje (14) stelden zoals gebruikelijk een aantal voorwaarden; het mocht niet te lang duren, niet naar de bioscoop alsjeblieft, geen musea en niets waar ze zich voor hoefden te schamen. Uiteindelijk bleef alleen ‘uit eten’ over en dat betekent in huize Rözer al vrij snel dat we naar De Grut gaan. Het is in de buurt, verdient eigenlijk een ster of meer en, niet heel onbelangrijk, het schenkt verrukkelijke wijnen.

Enfin, ik hing een uurtje later met mijn neus boven een glas witte wijn en besefte opeens dat ik aan het aftellen was. ‘Dit mag nog een weekje of zo en dan is het afgelopen.’ Opgegroeid in het land van Normaal dronk ik tot mijn veertigste eigenlijk alleen maar bier. ‘Groot gebracht met de beugelfles’, noemen we dat, trots op ons eigen Grolsch. Maar toen ontdekte ik de wijn en opeens kreeg ik een andere beleving van alcohol, een bredere. Mijn neus, een fors exemplaar, begon geuren te onderscheiden die deden denken aan zonovergoten berghellingen, aan verfijnde tradities en ik voelde steeds vaker dat het hier om meer ging dan ‘het zoepen’ waarmee ik vertrouwd was geweest.

Maar vanaf 1 maart wordt er dus uit een ander vaatje getapt. (‘Dat is een matige woordspeling, Marcel) Het zal wennen worden, dacht ik toen ik een eerste slok nam van mijn Verdejo, een wijn waarin Spanje verstopt zit. Eten in een fijn restaurant als De Grut, hoe doe je dat zonder alcohol? Ik moet toegeven, ik zie er als een berg tegenop.